Terug naar begin»

 

Reisverhalen   

 

Europa (Nederland, Belgie, Luxemburg, Frankrijk en Spanje)

 

Marokko

Mauritanie

Mali

Burkina Faso

Ghana

 

Zuid-Afrika

Botswana 1

Namibië

Botswana 2

Zambia

Malawi

Tanzania 1

Kenia 1

Oeganda

Kenia 2

Tanzania 2

Kenia 3

Tanzania 3

Kenia 4

Ethiopie

Sudan

 

Saudi Arabie

Jordanie

Jordanie HCAW

Syrie

Turkije

 

Bulgarije

Roemenie

Hongarije

Oostenrijk

Duitsland

Nederland

IMPI's ADVENTURES

 

Reisverhalen

Namibië

 

De grensovergang met Namibië op maandag 17 mei ging net zo makkelijk als Botswana. Ook voor Namibië hoeven we geen visum te kopen, alleen roadtax te betalen. We vullen een formuliertje in en ze stempelt onze paspoorten. Nadat ze die van mij heeft gedaan loop ik 2 loketten verder, waar de veterinaire post zit. Ik wacht tot er iemand komt en geef hem het permit. Hij kijkt niet eens en stempelt het permit. Het is goed zo. Hij hoeft Klaas niet te zien. Ik loop terug naar Ro die net zijn paspoort terug krijgt. Hij wil samen met mij het permit voor Klaas gaan regelen en is verrast te horen dat dat al gebeurd is. We lopen naar een loket waar we de roadtax moeten betalen. Dit kost 200 Nam$ (€ 20), maar wij hebben nog geen Namibische dollars. Ze accepteren ook Pula’s, maar dan 1 tegen 1, dus we moeten 200 Pula betalen (€ 24). Prima, geen probleem. Als we wegrijden wordt nog gecontroleerd of we de roadtax hebben betaald en vragen ze of we nog iets aan te geven hebben. Hier is de melk niet illegaal, dus we hoeven niet te liegen.

We rijden door en zien na misschien 20 km een bord met “Zelda’s Lodge” staan. We weten bijna zeker dat we hier in 2007 ook geweest zijn en dat dit de plek is waar ze de cheetah’s en het luipaard hadden. We besluiten te vragen of we hier ook met Klaasje mogen kamperen. Dat is geen probleem, maar we moeten wel oppassen voor hun rottweiler, want die is niet altijd even lief voor andere honden, werd ons verteld. Ze wijst ons een plekje aan, direct naast het cheetah verblijf. De cheetah’s hebben een groot stuk land van 5 hectare, maar in dit verblijf worden ze elke avond gevoerd. We zetten de auto vlak naast het hek en lunchen aan een tafeltje vlak naast het verblijf, maar de cheetah‘s komen pas tegen 5 uur, dus dat duurt nog even (het is pas 12 uur). De rottweiler heeft Klaas nog niet gezien. Opeens moet ik niezen en hoe zacht en onopvallend ik dat ook doe, Klaas begint te blaffen. Ze doet dat alleen bij mij en het is vaak hoogst irritant, zeker als je een andere hond in het ongewis van onze aanwezigheid wilt houden. We kijken rond, maar de rottweiler komt niet. Mooi! Ongeveer 30 seconde later hoor ik iets en kijk ik op. Komt er een cheetah aan, met een andere in zijn voetsporen. Angstig, maar ook zeer zelfverzekerd loopt hij naar het hek op ongeveer 10 meter afstand van ons. Hij kan zijn oogjes niet van Klaas afhouden. Dan doet hij net alsof hij ongeïnteresseerd is en gaat erbij liggen. De andere cheetah is niet zo dapper en gaat een paar meter verderop zitten. Na een paar minuten lopen ze nonchalant weg en verdwijnen de bush in. Na een bezoekje aan de bar, besloten we een bushwalk met de San people (voorheen: Bosjesmannen) te gaan maken. Je gaat dan een uur een wandeling door het gamepark maken, samen met een 60 jarige man en vrouw in traditionele kleding. De San people zijn van een uitstervend ras. De jongeren gaan tegenwoordig gewoon naar school en leren de tradities niet meer. Er is niemand op de aarde die zo goed kan overleven als de San mensen. Zij kunnen bv niet alleen aan de pootafdruk in het zand zien welk dier het is, maar ook of het een mannetje of vrouwtje is. En zelfs in geval van een vrouwtje of ze drachtig is. Ze zijn zeer behendig met pijl en boog en kunnen met niks overleven. Om 15:00 uur begon onze wandeling. Ik was alleen al blij omdat ik foto’s mocht maken en heel graag een close-up wilde maken van onze 2 begeleiders. Helaas was er iets mis met de camera (of met de accu’s), want de camera herkende de accu’s soms helemaal niet en alle accu’s waren ineens leeg, terwijl ze net opgeladen waren. Ik heb nog een paar foto’s gemaakt, maar niet degene die ik wilde hebben. Toen we het park inliepen moesten we gelijk naar links, omdat de redelijk tamme eland ons anders zou volgen. Maar na ongeveer 10 minuten hoorden we geritsel achter ons en daar kwam hij al aan. De eland was erg grappig. Elke keer als niemand keek, kwam hij heel dichtbij en als je hem aankeek ging hij heel nonchalant aan een takje knagen. Er werden verschillende sporen verklaard, waaronder die van de black mamba, een zeer gevaarlijke slang. Hij was ongeveer 24 uur geleden op die plek geweest. Ze zijn territoriaal, dus wellicht was hij niet ver. We mochten met de pijl en boog van de man schieten en dat ging best aardig, al zeggen we het zelf. We zagen waterbokken, kudu’s, impala’s en een eland (maar die laatste zagen we continu, haha). Na de wandeling bedankte we ze vriendelijk en gingen we weer in de bar zitten. We probeerde het fototoestel te maken, maar hij deed niks meer. Ro was bij de receptie om een internetkaart gaan vragen en kwam terug naar mij. Hij stopte om met iemand een praatje te maken en toen zag ik het allerschattigste baby meerkatje ooit. Hij liep om de biljarttafel heen en net toen die langs Ro op moest lopen, begon Ro, zonder dat hij het beestje gezien kon hebben, te lopen. Ik riep dat ie niet moest bewegen, want zijn voeten waren 2x zo groot als het kleine stokstaartje. Ro bukte en stak zijn hand naar het beestje uit. Ondertussen zat ik een meter verderop op de grond. Het beestje kroop bijna in Ro’s hand, waar er wel 3 in gepast hadden. Even later kwam het beestje ook nog even bij mij en liep toen achter zijn surrogaat mama (een vrouw met de beste baan ooit) aan. En uiteraard deed de camera het niet. We liepen terug naar de auto om te wachten tot de cheeta’s en het luipaard gevoerd zouden worden. De cheetah’s waren al ongeduldig aan het wachten en Klaas was ze aan het uitdagen door hard tegen ze te blaffen vanonder de auto. Slimme zet! Ondertussen was het gelukt de camera weer werkend te krijgen, maar voor hoe lang? Om 17:00 uur werden ze gevoerd. Het was mooi om te zien, maar ook zo voorbij, aangezien ze er met het vlees vandoor sjeesde. Voor het luipaard was er geen competitie voor het vlees, dus zij raakte het niet eens aan. De volgende morgen lag de helft er nog. Het luipaard is met de fles grootgebracht en blijft voor altijd hier wonen. De cheeta’s worden hier opgevangen en daarna weer vrijgelaten. De boeren in Namibië hebben veel last van cheetah’s en ze worden dan ook regelmatig doodgeschoten. Diverse organisaties vangen deze cheetah’s en plaatsen ze daarna in grote wildreservaten waar ze genoeg te eten hebben en ze beschermd worden. Daarna was het tijd om Ro te voeren. Ze hadden een buffet met kudu vlees en oryx/gemsbok vlees. Het was best prijzig (€ 12) en aangezien ik geen vlees eet, leek het mij zonde als ik ook mee at. Terwijl we in de bar aan het wachten waren tot het buffet klaar was, hebben we een Nederlands stel ontmoet dat door Namibië en Botswana aan het rondtrekken waren. Ro heeft samen met hun gedineerd, terwijl ik erbij zat. Na het eten zijn we uitgeput gaan slapen.

  

Op dinsdag 18 mei heb ik voor we vertrokken nog alle kleren en handdoeken gewassen, omdat ze hier zo’n heerlijke wasbak hadden met warm water. Ideaal. Ik hoopte dat we niet te lang zouden rijden, want de was moest wel snel opgehangen worden. We stopten het in een plastic zak en zijn weggereden. In het stadje Gobabis hebben we geld gewisseld, boodschappen gedaan en rondgekeken. Daarna weer door richting Windhoek. We wisten nog niet zeker of we naar de “Arnhem Cave” wilden, omdat in de Lonely Planet staat dat het zeer stoffig is en contactlenzen onmogelijk zijn. Maar mijn ogen zijn zo gewend aan die dingen, dat ik zonder ook niet door het stof kan lopen. Maar toen we bij de afslag naar de grotten kwamen, besloten we er in ieder geval heen te gaan. De 50 km naar de boerderij waar ze in liggen waren erg mooi. We zagen een kudde oryxen/gemsbokken en diverse andere antilopen, maar ook bavianen. Aangekomen op de camping van de boerderij bleek het wel een beetje duur te zijn (€ 18 per nacht voor 2p), maar ach, we leven maar 1x. Later kwam er nog een Zwitsers stel aan, maar de man bleek in NL geboren te zijn en 50 jaar geleden geëmigreerd te zijn. Zijn Nederlands was nog best goed en we hebben gezellig gepraat.

 

De volgende morgen, woensdag 19 mei, besloten we toch maar naar de grot te gaan. De “Arnhem Cave” is het langste grottensysteem van Namibië die in 1930 is ontdekt. Er leven 6 vleermuis soorten in de grot en ze hebben in de jaren 30 de uitwerpselen van de vleermuizen, guano, uit de grotten gehaald, omdat dit een zeer goede en dure kunstmest is. Maar het was te zwaar werk en de ezeltjes die de guano moesten vervoeren werden blind door het vele stof en de donkere tunnels.

Om 8:15 uur vertrokken we. Het is maar goed dat ons vooraf NIET is verteld dat de wandeling naar de ingang van de grond 20 minuten bergbeklimmen is over een helling die bezaaid is met kleine en grote, veelal losliggende, keien. Het is ook goed dat ons vooraf NIET is verteld dat we 90 meter de diepte in zijn gedaald, door kleine doorgangen en over smalle paadjes met afgronden naast je waar je niet in wilt vallen en vanaf steile iele ladders die de diepte in gaan, over soms gladde met vleermuizenpoep bezaaide grond. En dat we niet wisten dat de grot continu bijna 25 graden is met een luchtvochtigheid van tegen de 100% en een stank waarvan je ogen gaan tranen (ammoniak lucht) was ook handig om vooraf NIET te weten. En gelukkig was ons al helemaal NIET verteld (totdat we beneden waren) dat we dezelfde route weer terug moesten omhoog. Ik betwijfel ten zeerste of ik was gegaan als ik dit allemaal had geweten. Maar achteraf ben ik blij dat we gegaan zijn en was het zeker de moeite waard. Er waren duizenden vleermuizen, waarvan er een paar een defect sonarsysteem hadden, als je het mij vraagt. Ze vlogen soms zo rakelings langs je op, dat je de vleugels of in ieder geval de wind voelde. De gids plukte ze af en toe van het plafond om ze ons goed te laten zien. Erg schattige diertjes. Elk horizontaal oppervlakje van de grot was bedolven onder de vleermuizenpoep. In het begin raak je dat liever niet aan, maar als de grot gladder wordt en de paden smaller en de afgronden dieper (zonder leuning), dan wil je je wel aan alles vastgrijpen, zelfs als daar poep op ligt. Op een gegeven moment zet ik mijn hand op een richel tot ik me realiseer dat rotsen normaal gesproken niet zo zacht zijn. Zat ik met mijn hand in een dode vleermuis! JAKKIE! Tja, het leven van een overlander gaat niet altijd over rozen. Ook hadden ze 2 gemummificeerde porcupines (stekelvarkens) in de grot liggen. Bijna onderin, 85 meter onder de grond, ben ik niet meegegaan de laatste 5 meter. Daar was een klein meertje, maar het was zo ongelooflijk stoffig om daar te komen, dat ik dat niet aandurfde met mijn longen. Ik had gelukkig totaal geen last van mijn lenzen. Ik bleef alleen achter terwijl de gids, Ro en de 2 Zwitserse naar het meer gingen. Ik zat ongeveer 3 minuten totaal alleen in de pikdonkere grot en ik deed mijn zaklamp even uit. Best eng. Ik hoorde de vleermuizen piepen en af en toe hoorde ik de gids praatte, wat veel verder weg klonk dan dat ze eigenlijk waren. Ik kan me goed voorstellen dat je een paniekaanval kan krijgen, zo diep onder de grond, in het donker, maar daar had ik gelukkig (nog) geen last van. Na 3 minuten kwam de Zwitserse vrouw proestend en hoestend teruggelopen. Het stof was echt heel erg geweest. Even later kwam de man ook terug. En daarna Ro en de gids. Ik was blij dat ik dit had uitgezeten. De 85 meter (90 voor Ro) terug omhoog waren niet prettig. Elke keer als we een stuk omhoog waren gelopen, gingen we daarna weer naar beneden. Enige claustrofobie begon bij mij en de Zwitserse vrouw te verschijnen, want de gids bleef zeggen dat we er bijna waren, maar wij zagen echt geen uitgang of daglicht. Eenmaal terug bij de wankele ladders was ik blij dat we weer 35 meter recht omhoog konden, maar wij hadden begrepen deze ladders niet terug op te hoeven en via een andere weg eruit te kunnen. Daarna wilde ik eigenlijk alleen maar naar buiten, wat misschien maar goed ook was, omdat mijn hielen ondertussen open lagen. Bij elke stap die ik zette leek het alsof er een dolk in mijn hielen werd gestoken. Ik had enorme blaren. Eindelijk was het daglicht zichtbaar, maar we moesten nog een eindeloze trap op. En dan voel je opeens een koel briesje en de stank verdwijnt. Tien treden verder kom je uit de schaduw en is de hitte iets te veel van het goede, maar beter dan de benauwdheid van de grot. Ik schop mijn schoenen uit en loop met losse schoenen het laatste stuk. Heerlijk! Bovenop de heuvel trek ik mijn sokken uit en de blaren zijn erger dan ik had gedacht. Na een paar minuutjes moeten de sokken en schoenen weer aan en beginnen we aan de afdaling. Dat was gelukkig niet pijnlijk, omdat je dan toch vooral vóór in je schoen zit en je hiel vrij zit. Wij lopen samen met de Nederlandse/Zwitserse man en hij stopt om een foto te maken. Wij lopen door. Opeens hoor ik een raar geluid, kijk om, en zie ik die man van de berg afrollen. Ik draai Ro, die niks had gehoord en achter mij loopt, om en duw hem naar die man om hem te helpen. Maar hij staat al op en zegt dat er niks aan de hand is. Ik geloof het niet helemaal, maar hij loopt gezellig kletsend met ons verder naar beneden. Het zal wel goed zijn.

Terug op de camping wilden we alle 4 niks liever dan douchen. Er waren maar 2 douches, dus de vrouwen mochten uiteraard eerst. Nadat ik mezelf minstens 4x van top tot teen had afgeboend en mijn haren wel 3x in de shampoo had gezet, dacht ik dat ik weer enigszins benaderbaar zou zijn. Ik trok schone kleren aan en kwam er toen pas achter hoe ik een half uur daarvoor geroken had. Zowel mijn kleren als Ro waren niet bij in de buurt te komen. Het was echt ranzig.

Nadat we allebei schoon waren, hadden geluncht en hadden opgeruimd, zijn we richting Windhoek gereden. De omgeving was erg mooi en we zijn de 60 km naar de snelweg geen enkele andere auto tegengekomen. Op de snelweg ging het snel en we besloten dat we nog geen zin in de stad hadden. Twintig kilometer voor Windhoek zijn we naar een camping gegaan, waar we de rest van de dag niks meer hebben gedaan. Alleen af en toe Klaas beschermen tegen de 4 grote Deense Doggen die daar woonden en het af en toe in hun heupjes kregen en dan met z’n 4e op haar afstormden en bovenop het arme Klaasje wilden springen. Ze was best bang en ze leek heel dankbaar dat wij steeds voor haar gingen staan om die beesten tegen te houden. ‘s Avonds hebben we nog even bij de open haard in de bar zitten lezen en daarna vroeg en uitgeput naar bed gegaan.

 

Donderdag 20 mei zijn we naar Windhoek gereden. Maar eerst stopte we bij een Landrover onderdelen garage, waar Ro 2 schroeven voor de startmotor wilde hebben. Ook hebben ze gelijk de ontluchting van de as verbeterd en we hebben een betere aandrijfas gekocht (in de onze zat veel speling). Terwijl we aan het wachten waren, hoorde we opeens een lawaai. Naast ons waren ze bezig met een vrachtwagen. Er was alleen een cabine en de oplegger. De cabine stond omhoog en het motorblok hadden ze met grote kettingen omhoog gehezen. Daaronder waren ze aan het werk. Het motorblok was naar beneden gekomen en op de borst van de oude monteur gevallen. Ik schrok me helemaal wezenloos. De andere monteurs en Ro tilden dat ding met veel moeite van hem af en hij kroop eronder uit. Hij voelde zich toch niet helemaal 100% dus is voor de zekerheid (zelf!) maar naar het ziekenhuis gereden. Wij waren er niet zo gerust op, want zo’n motorblok is erg zwaar en hij was een oude iele man, dus ik ben bang dat het erger was dan hij dacht of beweerde. In Afrika zijn de veiligheidsvoorschriften iets anders dan in Nederland. Het is toch triest dat mensen op zo’n gevaarlijke wijze hun werk moeten verrichten. De eigenaren zijn blank en interesseren zich er dus blijkbaar niet echt voor hoe het met de veiligheid van hun personeel gaat. Maar aan de andere kant interesseerde ze zich ook niet in de veiligheid van hun zoontje. Zoonlief (ongeveer 8 jaar) bezat een eigen gele open landrover jeep waar hij mee over het terrein sjeesde. Het blonde jongetje zat achter het stuur, terwijl 3 donkere jongetjes naast hem zaten en 3 andere achterin stonden. Ze scheurde over de hobbels en namen de bochten veel te scherp. De kans dat ze om zouden vallen of iemand eruit gelanceerd zou worden, leek mij erg groot, maar de moeder (als je haar zo mag noemen) was niet onder de indruk.

Toen we klaar waren zijn we, zonder te weten hoe het met de monteur is afgelopen, weggereden. Op goed geluk reden we naar de dichtstbijzijnde backpackersplek in Windhoek waar je ook mag kamperen. Ik liep naar binnen om te kijken of het wat was en ik liep meteen tegen Darrin aan. Zo toevallig! We hebben Darrin ontmoet in Bamako, Mali, daarna zijn we hem tegengekomen vlak voor Dogon Country in Mali, daarna hebben we kerstmis met hem gevierd in Bobo in Burkina Faso en later zijn we hem nog 2x in Ghana tegengekomen (Dixcove en Accra). En nu dus weer in Namibië. Hij heeft wel vanaf Ghana naar Namibië gereden, dus die verhalen wilden wij graag horen. We hebben ons gesetteld en zijn de stad ingegaan. We hebben een apparaatje gekocht waarmee we overal in de wereld mobiel kunnen internetten. Daar waren we al langer naar op zoek, maar we konden nergens een sim-lock vrij exemplaar voor ongeveer € 60 - € 70 vinden, terwijl we wisten dat dat mogelijk moest zijn. En in Windhoek vonden we het eindelijk. Het was leuk om weer in Windhoek te zijn. Wij vinden het een fijne stad en voelen ons er prettig. Er is niet heel veel te doen of te zien, maar toch leuk. Terug in de backpackerslodge worden we door Darrin volledig op de hoogte gebracht over wat we gemist hebben door te vliegen en verschepen. Ik moet zeggen dat ik er nog steeds geen spijt van heb, want volgens hem waren Kameroen en Gabon de minst leuke landen, terwijl wij het juist zo jammer vonden die te moeten overslaan. Maar ik vind het erg knap dat Darrin de meeste van deze landen helemaal alleen heeft doorgereden. Ik zou dat niet durven.

We zijn te moe om nog eten klaar te maken en te lui om uit eten te gaan, dus maken we een boterham en gaan naar bed.

 

Op vrijdag 21 mei willen we weer verder. We nemen afscheid van Darrin, maar verwachten hem binnenkort wel weer tegen te komen. We rijden nog even langs de kampeerwinkel voor een onderdeel voor de benzinelamp en tanken daarna vol. Om ongeveer half 11 rijden we weg en besluiten we de C26 via de Gramsbergpass te nemen. Het is dan ongeveer 400 km naar Walvisbaai en Swakopmund. Het is een lange dag en na ongeveer 4 uur zijn we op de helft. We besluiten wat harder te gaan rijden. Hoe dichter we bij de kust komen, hoe mooier de woestijn wordt. De rode zandduinen doemen op en de woestijn begint er uit te zien zoals een woestijn er volgens ons uit hoort te zien. Rond 17:00 uur komen we aan in Walvisbaai. Maar we kunnen echt nergens een camping vinden. Halverwege tussen Walvisbaai en Swakopmund ligt ook een camping aan de oceaan, maar het is al bijna donker, dus we moeten opschieten. Na zonsondergang, maar voordat het pikdonker is, komen we aan op de camping. We eten vlug iets en vallen vrij snel in slaap. Die nacht worden we wakker gehouden door de harde wind die vanuit de woestijn de oceaan in waait, met een hele zandverplaatsing als gevolg.

 

Op zaterdag 22 mei maken we een strandwandeling, maar aangezien de wind nog niet is gaan liggen, krijg je een gratis scrup over je hele lichaam. Aangenaam is anders, dus we maken het niet te lang en ruimen snel op. We rijden daarna naar Swakopmund. We vinden al snel een camping vlak aan de oceaan. Ro besteed het grootste deel van de dag aan het vervangen van de aandrijfas en het maken van de handrem, terwijl ik in het woestijnzonnetje een boek lees. Ja, verschil moet er wezen. We hebben ‘s avonds nog een strandwandeling gemaakt en een erg mooie zonsondergang gezien.

 

Volgens mijn zusje was het op zondag 23 mei Pinksteren, dus dat zullen we dan maar geloven. We hebben er verder weinig van gemerkt. We zijn met z’n drieën naar het centrum van Swakopmund geslenterd om daar te ontbijten. Daarna zijn we op een soort schiereilandje gaan kijken naar een paar zeehonden die in het water aan het spelen waren. En daarna rustig aan teruggesjokt. We hadden wilde plannen voor deze dag, maar hebben uiteindelijk niet veel spannends gedaan. We besloten de plannen tot de volgende dag te bewaren en genoten van een vrij dagje (oké, we hebben al 7 maanden vakantie, maar af en toe heb je behoefte aan een “vrij” dagje).

Op maandag 24 mei waren we voor ons doen vroeg weg, rond een uur of negen, zodat we alle wilde plannen konden verwezenlijken. Eerst even langs het wildlife kantoor om te vragen welke permits we allemaal moeten hebben om over bepaalde wegen te rijden, daarna snel langs de supermarkt en op naar Dune 7 en Walvisbaai. Maar bij het verlaten van het parkeerterrein van de supermarkt zie ik een bordje met “SPCA”. Deze dierenopvang heeft vanuit verschillende locaties in Amerika en ook vanuit Zuid Afrika een programma op Animal Planet die wij vaak keken. We besloten even langs te rijden, omdat we wel eens met eigen ogen wilde zien wat ze daar deden. Ik liep alleen naar binnen om te vragen of we rond mochten kijken en werd meteen rondgeleid en mocht meehelpen met de honden naar buiten doen. Ro kwam vanzelf ook naar binnen, omdat ik wel wat lang duurde. Ondertussen had ik al een nieuw vriendje: Roxy, een schattig jong hondje. Er werd ons verteld dat ze vorige jaar 310 honden hadden binnengekregen, alleen uit Swakopmund en een paar uit Walvisbaai. Walvisbaai heeft haar eigen SPCA vestiging. Swakopmund heeft zo’n 25.000 inwoners (Walvisbaai hooguit 54.000). Daaromheen is alleen maar woestijn. 310 honden per jaar is dus best veel voor zo’n kleine stad. Het aantal katten dat ze vorig jaar hadden ontvangen kon ze zo snel niet vinden, maar in de eerste 4,5 maand van 2010 waren er al 67 katten gebracht. Een deel van de katten en honden worden afgestaan door de eigenaren, maar een groter deel wordt gevonden, vaak in zeer slechte staat. Minstens één keer per week komt er een hond binnen die brandwonden heeft van sigaretten die op de hond worden uitgedrukt, ook op de oogjes. Deze honden moeten vrijwel altijd afgemaakt worden, omdat ze niet meer te redden zijn. Maar de honden die wel gezond zijn, worden meestal wel herplaatst. De verblijven voor de honden en katten zijn ontzettend groot. Groter dan elk asiel dat ik in NL heb gezien. Ze hebben per hond of kat een groot binnenverblijf met een groot buitenverblijf. Ik neem aan dat de grond niet zo duur is, aangezien ze aan de rand van de stad zitten en meteen buiten hun hek de woestijn begint, maar de bouwkosten voor grote verblijven zijn natuurlijk wel duurder dan kleinere verblijven. De buitenverblijven zijn allemaal voor de helft voorzien van een net om de zon buiten te houden. Op die manier is er altijd schaduw, maar ook altijd zon in het verblijf. In totaal hebben ze 196 verblijven. Naast de ruime verblijven hebben ze een grote speeltuin voor honden, waar de honden in groepen van maximaal 6 naar buiten gaan. Hier kunnen ze een paar uur spelen met elkaar. En een oudere Duitse dame komt elke dag om met elke hond een kwartiertje te lopen. Voor de katten is er een grote speelruimte waar de jonge speelse kittens in zitten. Op deze dag waren er 2 nestjes binnengebracht met doodsbange kittens. Maar nadat we een tijdje met ze gespeeld hadden, waren ze niet bang meer. Toen we aankwamen zaten ze allemaal verstopt in een hoekje. Toen we weggingen renden ze achter elkaars staartjes aan, speelde met de balletjes en beslopen elkaar als echte jagers.

De inkomsten van deze SPCA komt voornamelijk van de vakantieopvang voor honden en katten die ze bieden aan de inwoners van Swakopmund (en Walvisbaai). Om 13:00 uur gingen ze dicht voor de lunch en besloten wij alsnog naar Dune 7 en Walvisbaai te rijden. Aangekomen bij de duin begon ik met de tocht naar boven. Maar het zand was zo heet dat mijn (blote) voeten branden en ik steeds diep in het zand probeerde een beetje koelte voor mijn ene voet te vinden, terwijl ik de ander omhoog hield. Ro begon zo’n 20 meter links van mij aan de tocht omhoog en sjeesde mij voorbij. Ik had de camera vast en dat was best irritant. Ik vroeg hem op mij te wachten zodat hij de camera over kon nemen. Hij kwam 20 meter naar rechts en rende snel terug omdat het zand zoveel heter was waar ik liep dan waar hij liep. Dus ik ook naar links en daar was het zand aangenaam. Maar mijn voeten deden ondertussen best pijn, dus ik besloot even te gaan zitten en op Klaas te wachten. Klaas vond al dat zand geweldig, maar maakte weinig aanstalten achter ons aan te komen. Uiteindelijk kwam ze toch maar even bij mij kijken en zaten we samen te kijken naar Ro die bijna boven was. Ik besloot naar beneden te gaan zodat ik mooie foto’s van Ro te maken bovenop de duin (en een filmpje terwijl hij naar beneden rent). Dat voelt een stuk eleganter dan het er in werkelijkheid uitziet. Na de duin zijn we naar Walvisbaai gereden, waar een aantal flamingo’s zaten. We besloten naar Pelican Point te rijden, waarbij je langs een zoutwinning rijdt. Dat is erg interessant om te zien. Op de route naar Pelican Point zagen we nog vele flamingo’s, maar we hebben geen pelikaan gezien. Terug in Walvisbaai zijn we nog op zoek gegaan naar een set waarmee we de filters van de auto kunnen schoonmaken, maar die was uitverkocht. Ze belden het filiaal in Swakopmund en daar zouden ze er een voor ons klaar leggen. We hadden nog 20 minuten voordat de winkel om 17:00 uur dicht zou gaan. Om 5 over 5 reden we Swakopmund in, maar we konden de winkel niet vinden. Om half 6 zijn we maar naar het Lighthouse restaurant gereden om na een strandwandeling met Klaas gezellig (zonder Klaas) uit eten te gaan in hetzelfde restaurant waar we met Ro’s ouders 3 jaar geleden geluncht hadden. Maar na de warme chocomelk (om op te warmen) werd ik heel misselijk en dat zakte niet weg. Ik denk dat het te zoet was ofzo. Maar ik kreeg het eten bijna niet weg en Ro heeft dus goed gegeten. We hebben snel afgerekend en zijn terug naar de camping gereden.

Ro wilde de filterset hebben voordat we verder gingen en aangezien het de volgende dag een nationale feestdag zou zijn (Africa Day) en de winkels dus niet open zouden zijn, hadden we nog een extra dag in Swakopmund. En dus konden we doen wat we eigenlijk stiekem toch al wilden doen: terug naar de SPCA om met de honden en katten te spelen. Maar ze zouden maar een uur in de ochtend en anderhalf uur in de middag open zijn, dus hoopte we dat we een hond voor de hele dag mee konden krijgen.

  

Op dinsdag 25 mei waren we om half 10 bij de SPCA aangewandeld. Het was prima als we een hond de hele dag mee zouden nemen, als we maar om 16:00 uur terugkwamen voor het geval er bezoekers kwamen op zoek naar juist die hond. Ik had al besloten dat ik Roxy mee wilde nemen (Ro wilde de border collie pup, maar we dachten dat ze die niet zo makkelijk zouden meegeven). We kregen Roxy mee en zijn samen met Klaas naar het strand gewandeld. Aangekomen op het strand was ze zo hyper enthousiast dat haar riem brak en ze dus in volle vaart over het strand achter Klaas aanrende. We riepen Klaas en Roxy draaide zich samen met haar om. Toen ze ons enthousiast zag roepen, scheurde ze onze kant op en sprong letterlijk bij Ro in zijn armen. Ze was zo’n lieve en enthousiaste hond, maar we durfden haar niet los te laten (mocht ook niet van de SPCA). Van daaruit zijn we terug naar de camping gegaan om wat te eten. En daarna weer terug naar het strand. Daarna weer uitrusten bij de auto en toen moesten we helaas weer terug naar de SPCA lopen. Ze was al zo aan ons gewend dat elke keer als één van ons naar de wc ofzo ging, dat ze bleef kijken naar de plek waar je uit haar zicht was verdwenen en bleef piepen tot je terug was. Ik weet dat niemand dit gaat geloven, maar ik was degene die Ro eraan moest helpen herinneren dat we haar echt niet konden houden. Normaal ben ik degene die daaraan herinnert moet worden, maar ik was bang dat als ik niet de verstandigste zou zijn, dat we dan met 2 honden verder zouden reizen. We brachten haar terug en ze was gelukkig blij om de verzorgster te zien en deed heel opgewekt. Een teken dat ze goed verzorgt wordt, lijkt ons. We gaan er vanuit dat ze snel een nieuw huisje vindt. Mijn voeten deden ondertussen behoorlijk pijn van al dat lopen, voornamelijk omdat ik op mijn voetkussens letterlijk brandblaren had van de Dune 7, dus het half uur teruglopen naar de camping ging niet van harte.

  

Op woensdagochtend 26 mei reden we snel naar de winkel waar ze de filterset verkochten en gingen daarna nog even snel boodschappen doen. Net toen we hadden afgerekend stonden Maureen en Henk-Jan voor onze neus! Dat was toevallig. We wisten van Darrin dat ze in Namibië waren, maar volgens hem waren ze nog in het noorden. Maar ja, het was natuurlijk al bijna een week geleden dat Darrin dat vertelde. We hadden een hoop bij te praten en we kwamen erachter dat ze al sinds gisteren in de stad waren, alleen sliepen ze op een andere plek. We gaan elkaar weer in Maun proberen te ontmoeten. Hopelijk gaat dat lukken. Uiteindelijk reden we dan toch weg uit Swakopmund. We wilden eerst naar Cape Cross rijden en dan Skeleton Coast in gaan. We zijn in 2004 ook al bij de zeeleeuwen van Cape Cross geweest, maar we wilden toch graag nog een keer. Er waren duizenden zeeleeuwen en het was erg grappig om naar ze te kijken. Je zou zeggen dat er ruimte genoeg is aan de Namibische kust om uitgestrekt te kunnen liggen, maar nee, ze liggen allemaal bij elkaar, op elkaar en wandelen over elkaar heen. Maar dat is natuurlijk wel veiliger voor ze, aangezien de jakhalzen en de hyena’s erg van zeeleeuwen houden. Toen we hier in 2004 waren zagen we bij aankomst meteen een Brown Hyena en ook een aantal Jakhalzen die tussen de zeeleeuwen door liepen. Daarom verwachtten we dat nu ook een beetje, maar helaas zagen we er geen één. De Brown Hyena zie je zelden, dus hele hoge verwachtingen hadden we gelukkig niet. Na een uurtje naar die grappige beestjes gekeken te hebben besloten we verder te rijden. We wisten dat we Skeleton Coast vóór 15:00 uur in moesten rijden, anders zouden ze gesloten zijn. De weg was lang en had veel hobbels. Al vrij snel werd duidelijk dat we dat niet gingen halen. We besloten de weg richting Uis te nemen en daar te gaan bushcampen. Aan de oceaan was het gewoon te koud en we wilden achter een berg gaan staan. Volgens de Michelin kaart moesten we eerst voorbij Mile 108 en daarna zou de afslag komen. Na Mile 108 reden we een tijdje door en opeens stonden we voor de toegangspoort van Skeleton Coast. Mooie kaart!! We reden terug naar Mile 108 en namen de weg landinwaarts 10 km daaronder. We reden om de berg heen en er bleek een inham te zijn, waardoor we bijna in het midden van de berg stonden. Ro is de berg nog even opgelopen om foto’s van de zonsondergang te maken, terwijl ik probeerde mijn lichaamstemperatuur op peil te houden (het was nogal koud). We hebben gegeten en zijn snel in de ijskoude daktent onder de ijskoude dekens gaan liggen.

  

Op donderdag 27 mei reden we naar Uis en daarna gelijk door naar de Brandberg. We hadden de Brandberg al vanaf de westkant gezien en waren via het zuiden naar het oosten van de berg gereden. Op de brandberg kun je oude grotschilderingen bewonderen, ook die van de “White Lady”. Ro ging vragen hoe lang het wandelen was en of we de berg op moesten klimmen. Het was 3 kwartier lopen en klimmen over losse stenen. Ik kon mijn wandelschoenen niet meer aan, omdat de blaren van Arnhem Cave nog op mijn hielen staan. En bovendien zitten er op mijn zolen nog een aantal “brand”blaren. Ro besluit niet alleen te gaan en we gaan naar de camping in de buurt, zodat we (of alleen Ro) de volgende morgen kan gaan. Maar op de camping zijn honden niet toegestaan, omdat de woestijnolifanten erg agressief zijn tegen honden, wist ze ons uit ervaring te vertellen. We rijden de 20 km terug naar de hoofdweg en besluiten richting Twijfelfontein te rijden. Ro wilde hier gaan bushcampen, maar dat leek me niet zo’n goed idee, aangezien hier dezelfde olifanten rondlopen. Met een beetje tegenzin draait hij een camping op, maar die blijkt veel te duur te zijn, terwijl het weinig voorstelt, namelijk 140 N$ (€ 14) pp! We rijden door. Dan zien we een andere camping en dit blijkt de goedkoopste camping van Zuidelijk Afrika tot nu toe te zijn (40 N$, € 4 pp) en misschien wel de leukste. We hadden een privé plekje op een rots met erg mooi uitzicht en een eigen wc, douche en wasbak. En het mooie was, dat de douche en wc helemaal open waren, dus je kon gelijktijdig van het uitzicht genieten. Het water werd verwarmd op de enige juiste manier: met een houtoventje. De oven werd voor ons aangestoken en we hebben al het stof van de afgelopen 2 dagen van ons afgespoeld. Maar de auto is een ander verhaal. Die blijft nog even stoffig. Als we onze borden bv pakken, dan kunnen we die eerst afwassen, omdat er een laag stof/zand op zit.

 

Vrijdag 28 mei beloofde een drukke dag te worden. We wilden de tekeningen in Twijfelfontein bekijken, naar de “Organ Pipes”, Burned Mountain en het “Petrefied Forrest”. We hebben alles ook daadwerkelijk gezien. Twijfelfontein was erg mooi. We hadden een rondleiding van een uurtje (zonder klimmen, dus ik kon op flipflops lopen) en we hebben heel wat afbeeldingen in de rotsen gezien. Deze zijn lang geleden (ongeveer 6.000 jaar) door de Bosjesmannen in de harde buitenlaag van de zandstenen rotsen geëtst. Het zijn dus geen schilderingen, de afbeeldingen zijn in de rotsen gekrast. Het zijn alleen afbeeldingen van dieren en hun sporen. En ze hebben plattegronden getekend van de waterplaatsen. Deze 3 dingen waren voor hun de belangrijkste aspecten om te overleven. Bij sommige tekeningen staat de handtekening van de artiest: zijn eigen voetafdruk! We konden rustig aan doen, want we hadden één van de twee parkeerplekjes onder het afdak, waardoor het voor Klaas goed uit te houden was in de auto. Maar voor ons begon het buiten toch wel warm te worden.

Daarna zijn we doorgereden naar de “Organ Pipes”. Dit zijn 150 miljoen jaar oude stenen die eruit zien als orgelpijpen. Klaas heeft ze ook bekeken, maar wilde liever de koele auto weer in, want het was wat aan de hete kant. Maar het was leuk ze gezien te hebben.

Burned Mountain zat een paar 100 meter verder, maar daar snapte we niet zo veel van. Misschien waren we op de verkeerde plek of begrepen we niet wat we zagen, maar wij zagen alleen een zwartige heuvel. Het schijnt dat met het juiste zonlicht het eruit ziet alsof het in brand staat, maar als je niet op het juiste tijdstip aanwezig bent is het gewoon een heuvel.

Voor het “Petrefied Forest” moesten we eerst naar de hoofdweg. Dit zijn, naar schatting, 260 miljoen jaar oude boomstammen die waarschijnlijk lang geleden met een vloed hierheen gestroomd zijn. De boomstammen zijn helemaal versteend. We hadden gelezen dat in ieder geval één stam 34 meter lang en 6 meter dik zou zijn. Aangekomen op de hoofdweg staat er een mooi officieel bord dat het nog 30 km is. Op een gegeven moment staat er een handgeschreven bord met “Petrefied Forrest” naar rechts. We hadden het idee dat we pas 15, hooguit 20 km, gereden hadden en dit leek ons niet goed. Maar we besloten toch een kijkje te gaan nemen. Er was een parkeerplaats en een “office” en een winkeltje, maar allemaal handgeschreven bordjes. We wisten eigenlijk wel dat we verkeerd zaten, maar vroegen toch maar wat het moest kosten. Het was wat veel, maar we dachten dat we best konden gaan kijken. Ze hadden één ministammetje, één iets grotere stam en een hoop brokstukken. Binnen 5 minuten was de tour afgelopen. Maar ach, we vonden het eigenlijk niet zo erg. Wij hadden versteende boomstammen gezien en de lokale bevolking plukt er nu echt de vruchten van. Haar broer had deze stammen gevonden en ze hadden het zo uitgegraven dat ze bezichtigd konden worden. Het officiële woud hebben we maar niet meer bezocht, we vonden het wel goed zo.

We hebben nog een uurtje doorgereden en zagen een camping. Ro wilde graag bushcampen, maar er stonden allemaal hekken langs de kant van de weg, dus we konden geen kant op. De “oprijlaan” duurde lang en we kwamen een bord tegen dat we op moesten passen voor giraffen. We waren blijkbaar in een wildpark en dan zijn honden meestal niet toegestaan. We reden toch door en het bleek geen probleem te zijn, zolang Klaas maar niks zou opjagen. Haha, die oude Klaas is daar veel te bang voor. We reden naar het kampeergedeelte en we waren de enige. Het uitzicht was fantastisch, we konden kilometers ver weg kijken. De badkamer en wc waren erg leuk gemaakt, maar omdat je die moest delen met eventuele andere gasten hadden ze geen uitzicht. We maakten een kampvuur met het gratis hout en hebben samen bij het vuur gelezen.

  

Twijfelfontein "rockart"                           "organ pipes"                              " Petrefied forest" 

 

Zaterdag 29 mei was Ro zoals altijd als eerste buiten. Toen hij even vermelde dat hij zojuist 5 giraffen had gezien, was ik 3 tellen later ook beneden. We hebben een paar uurtjes daar gezeten en zagen giraffen, eland-antilopen, kudoes en gemsbokken/oryxen. Tegen half 10 zijn we gaan betalen en zijn we verder gereden. Onderweg stopte Ro ineens, omdat hij een slang op de weg zag. We reden terug en het was een hele mooie en we wisten bijna zeker dat het een Black Mamba was, de gevaarlijkste slang van Afrika. We reden om hem heen om hem goed te fotograferen vanuit onze veilige auto. Maar de slang deed erg weinig. Op een gegeven moment zei Ro dat de slang dood was. Maar hij zag er niet kapot en overreden uit. Ik gooide een propje naar hem, geen reactie. Ik gooide voorzichtig een appel naar hem die over hem heen stuiterde (ik wilde hem niet kwaad maken) maar ook daar kwam geen reactie op. Ro besloot tegen mij zin in uit te stappen en hem met een stok aan te duwen. Ik vond het maar niks en besloot een appel op de slang te laten vallen, als hij zou leven, dan moest dat toch een beweging uitlokken. Ik gooide de appel op zijn achterlijf, maar hij reageerde niet. Ro duwde het beestje de berm in en hij gaf geen reactie. Hij zal wel dood zijn geweest, maar hij zag er erg levend uit, zonder verwondingen.

We zijn naar Outjo gereden, waar we lekkere broodjes bij de bakker hebben gekocht (dezelfde bakker als waar we met z’n allen in 2007 hebben gegeten en waar onze gids ontslag had genomen). Het is heel grappig om nu zelf door Zuidelijk Afrika rond te rijden. Toen we met de groepsreis meegingen, wisten we heel vaak niet in welke plaats we waren en welke route we reden. Nu we zelf rijden, rijden we vaak door dorpjes die we ineens herkennen en dan weten we nog ongeveer waar de supermarkt/bank/bakkerij/internetcafé zit. We tanken nog maar even vol en rijden richting Etosha. Op aanraden van Maureen, Henk-Jan en Darrin gaan we naar Toshari Inn. Het is inderdaad een erg leuke plek met gratis koffie, thee, chocomelk, cake, koekjes en brandhout. We zetten gelijk de tent op zodat Klaas daaraan kan wennen. Als wij zondag naar Etosha Nationaal Park gaan, dan mag Klaas de hele dag in de tent en op het grasveld blijven. Ik ben druk in de weer met een constructie zodat ze veel kan lopen zonder vast te komen zitten in het touw, dat ze in de tent kan liggen, maar ook erbuiten op het gras en dat er voldoende schaduw is. Als ik helemaal tevreden ben gaan we warme chocolademelk en koffie drinken en mag Klaas de constructie testen.

 

Op zondag 30 mei willen we om 6 uur voor het hek staan. Ergens tegen half 7 zal het hek opengaan, maar we willen niet te laat zijn. Als ik om kwart voor 6 ‘s ochtends ons telefoonnummer aan de receptioniste afgeef voor het geval er iets met Klaas is en ik terug ben bij de auto, kijkt Ro een beetje sneu. Ik vraag wat er is en hij verteld mij dat hij was vergeten dat de wekker nog op Zuid Afrikaanse tijd staat en dat het eigenlijk pas kwart voor 5 is. We besluiten maar vast naar Etosha te rijden, maakt nu toch niet meer uit waar we wachten. We rijden weg en na ongeveer een kilometer zien we iets op de weg zitten. Het diertje is zo verblind en/of verschrikt door de koplampen, dat het mooi blijft zitten. Zodra hij de berm in rent stap ik uit en zoek ik met de zaklamp verder. En dan zien we hem nog even naar ons kijken voordat ie echt wegrent. We kunnen het dier goed zien, maar we weten niet precies wat het is. Na uitgebreid onderzoek (achteraf) in onze bijbels (dierenboeken) lijkt hetgeen wij gezien hebben het meeste op een aardwolf. Maar een aardwolf hebben wij nog nooit eerder gezien en ze zijn niet bepaald makkelijk te vinden. We durven het niet met zekerheid te zeggen, dus we vinken de aardwolf maar niet aan als gevonden. Dat doen we alleen als we het 100% zeker weten. Daarna zagen we nog een paar kudoes op de weg en een dode mooie uil. Bij de ingang van Etosha was uiteraard nog niemand en we moesten onszelf een uur vermaken tot de poort open ging. Een kwartier voor zonsopgang komt er nog een auto aan, die gelijk voorkruipt en vooraan bij de poort gaat staan. Ik was daardoor wat chagrijnig, maar dit bleek achteraf helemaal niet zo erg te zijn. Want nadat wij de papieren hadden ingevuld en een paar minuten na hun wegreden, staken er vlak voor ons, 200 meter van de poort, twee (!!!) luipaarden (!!!!) de weg over. Ik had de camera nog niet eens in de aanslag en de verrekijkers nog niet ingesteld, dus dat konden we wel vergeten. Maar het waren 2 mooie luipaarden. We konden ze nog een tijdje in de bush zien, maar net toen auto 3 eraan kwam waren ze uit het zicht verdwenen. We hebben nog gezocht, maar helaas. Vlak daarna zagen we 3 jakhalzen vrolijk met elkaar spelen.

We hebben rondgereden tot ongeveer 13:00 uur. We hebben heel veel springbokjes, impala’s, kudoes, gemsbokken, wildebeesten, red hartebeest, zebra’s, giraffen, grondeekhoorntjes, stokstaartjes, jakhalzen en vogels (struisvogels, secretaris vogels, Kori Bustards, gieren, Maribu enz) gezien. Opeens zagen we ook, op het moment dat we weer optrokken, een gigantische slang vanonder de auto de berm in glibberen. Zij was zeker anderhalve meter lang, maar wellicht over de 2 meter, met een diameter van 8 cm ofzo. Ze was donker van kleur (bijna zwart) en effen. We denken een Black Mamba, maar weten het echt niet zeker. We stopten bij Okaukuejo Rest Camp. Waar we eerst gegeten hebben en daarna tot 16:00 uur bij de waterplaats hebben gezeten. We hebben ook daar veel dieren gezien, maar alleen van het soort dat we al eerder deze dag gezien hadden. Om 16:00 uur was het tijd om rustig aan naar de uitgang te gaan rijden. We hadden anderhalf uur voor ongeveer 15 km, dus dat leek haalbaar. We zagen onderweg nog iets wat op een kat leek, maar hij/zij ging bijna meteen in het hoge gras liggen en na 10 minuten wachten in de hoop dat ie op zou staan, wat hij niet deed, zijn we maar doorgereden. We waren 20 minuten te vroeg bij de uitgang, maar besloten toch het park uit te gaan. Dan konden we vóór het donker terug bij Klaasje zijn, wat vast op prijs wordt gesteld door ons hondje dat bang is in het donker. We zijn volkomen kapot als we aankomen op de camping. We eten wat cornflakes, douchen snel en gaan belachelijk vroeg naar bed. In de daktent schrijf ik dit verslag nog terwijl Ro al ligt te slapen.

 

  

Maandag 31 mei doen we niet zo veel. Ik zoek alle foto’s van Namibië sinds Windhoek uit (ruim 1100 stuks, elke keer denk ik weer dat ik dit elke avond moet doen en niet om de 2 weken, maar elke keer wacht ik weer te lang), terwijl Ro een boekje leest. ‘s Middags besluiten we Klaas een opknapbeurt te geven: kammen, knippen, oortjes schoonmaken en daarna lekker in de shampoo. Het arme beestje weet niet wat haar overkomt, zo stofvrij rondlopen. Als we net klaar zijn en Klaas in de tent (die nog opstond en nu goed van pas kwam, omdat ze anders nat op het zand zou zijn gaan liggen) kwamen Andrew en Christina aanrijden. Zij hebben vanaf Accra tot Angola met Henk-Jan en Maureen gereden. In Accra hadden we Christina al ontmoet, maar Andrew hadden we nog nooit gezien. Ze vertelden dat Darrin ook onderweg was en bijna bij ons was. Alweer zo toevallig. Als Darrin aankomt is hij helemaal verbaast ons hier ook te zien. Na het eten wil ik even douchen, alleen blijkt onze oven uitgegaan te zijn, waardoor het warme water op is als mijn hoofd vol shampoo zit. Dapper was ik dat eruit, maar daarna ga ik meteen naar bed, want ik heb het een beetje koud.

 

We ruimen op dinsdag 1 juni rustig op, nemen afscheid van Darrin, Andrew en Christina en rijden richting Outjo. Daar pinnen we geld, doen we genoeg boodschappen voor een aantal dagen en tanken vol. Voor ons bij het tankstation staan….. Andrew en Christina. Maar hierna gaan zij de andere kant op, maar misschien zien we ze weer in Maun, waar ze misschien samen met Maureen en Henk-Jan naartoe gaan.

We rijden richting het Noord Westen. Onderweg stoppen we een aantal keer voor diverse roadkills, waaronder 2 slangen. Deze 2 slangen zijn met zekerheid doodgereden en hoeven we geen appels naar te gooien. De eerste is groen, misschien een boomslang, groene mamba of groene slang. De tweede is, bijna zeker, een pofadder. Ondanks dat de pofadder niet zo dodelijk is als de Black Mamba, vind ik de pofadder veel enger. De meeste slangen gaan ervandoor als je eraan komt. De Black Mamba is dan wel heel dodelijk, maar zal vrijwel altijd vluchten i.p.v. aanvallen. De pofadder valt ook niet zomaar aan, maar hij heeft zo’n mooie schutkleur, dat hij er vanuit gaat dat je hem niet ziet als ie heel stil blijft liggen. Maar als je hem niet ziet en erop gaat staan, dan bijt ie je wel. Je moet dus altijd opletten waar je loopt in slangengebied. Na ongeveer 200 km rijden we langs de Afri-Leo Foundation. Dit is één van de projecten die door World of Wildlife (WoW) wordt gesteund (zie “goede doelen” op onze site) en wij willen daar een kijkje nemen. Als we na een oprit van 5km bij de receptie aankomen, blijkt de stichting samen met een lodge onder één dak te zitten. Wij zijn welkom om te kijken, als we een nacht in de lodge slapen. We vinden dit een beetje raar en bovendien is dat veel te duur voor ons, dus rijden we de 5km terug naar de weg. We rijden verder op zoek naar een camping. We rijden nu naast Etosha en buiten het hek zien we giraffen en bavianen. Ook zien we borden dat we op moeten passen voor olifanten, maar geen olifant te bekennen. Als we de eerste camping opdraaien, rijden we bijna tegen een kudde zebra’s aan. Aangekomen op de camping vertelt de manager dat er die ochtend nog een kudde olifanten is geweest, maar die komen waarschijnlijk nu niet meteen terug. Wel lopen er al dagen een paar leeuwen rondom het kamp, die we wellicht ‘s nachts zullen horen brullen. We hopen het maar. Wel gaan we (op mijn verzoek) meteen na zonsondergang de daktent in, omdat ik niet in het donker buiten wil zitten met de leeuwen vlakbij. We mailen met Guido van WoW voor advies hoe we Afri-Leo toch kunnen bezoeken.´s Avonds begint het heel hard te waaien en dat houdt de hele nacht aan, waardoor wij moeite hebben met slapen, omdat de auto nogal wiebelt. Als de leeuwen al gebruld hebben, dan hebben wij het niet gehoord.

 

Woensdag 2 juni begint vroeg. We ontbijten bij de waterplaats, samen met Klaasje(!). Dit is de eerste keer dat we in een uitkijkpunt op zoek waren naar wilde dieren samen met Klaas. De manager komt ook nog even langs en zoekt met ons mee. Maar er zijn echt geen dieren te bekennen. We hebben ondertussen contact gehad met Guido van WoW en hij heeft ons gevraagd terug te gaan naar de Afri-Leo foundation. We rijden 50 km terug, maar alweer wordt ons verteld dat we de leeuwen niet mogen bezoeken. Dat is alleen voor lodgegasten, maar de € 65 pppn vinden wij te veel. We vertellen dat we foto’s van Shenzi, de 2-jarige leeuw, willen maken voor WoW. Ze geven ons een aantal van hun foto’s, want de kans dat we Shenzi in zijn verblijf vinden is volgens hun erg klein. Na wat extra informatie uitgewisseld te hebben gaan we weer op pad. Op de weg terug naar de hoofdweg zien we WEER een slang, deze keer levend. Hij is lang en dun en snel. Een tijdje later zien we op de hoofdweg nog een dode slang. We zijn duidelijk in slangengebied, want in heel West Afrika hebben we maar 2 slangen gezien (een dode python en een uitgerekte regenwurm, beide in Mali), in Zuid Afrika hebben we 1 slang gezien (levende boomslang) en hier in Noord Namibië hebben we nu al 4 grote dode en 2 grote levende slangen gezien. Op discovery channel keken we wel eens naar programma’s waar ze in Afrika rondreden op zoek naar slangen. Als ze dan een slang zagen, sprongen ze de auto uit om de slang te vangen. Op dit moment zijn wij er niet zo zeker van of dit wel zo realistisch is. De 2 slangen die wij op de weg zagen hebben we direct proberen te volgen (in de auto) maar zodra ze in de berm waren, waren ze compleet onzichtbaar. Ze waren niet terug te vinden. Volgens ons worden die slangen voor het programma op de weg gelegd als ze aan komen rijden. Maar goed, misschien hebben zij meer geluk. We rijden verder naar Opuwo, ongeveer 200km. Daar aangekomen tanken we nog even vol en rijden naar de camping. Het stadje is een geweldig leuke plek, met allerlei bevolkingsgroepen. We kijken onze ogen uit en zouden het liefst foto’s maken, maar dat doen we uiteraard niet. In dit gebied wonen Himba’s, Herero’s en vele andere volken. De Himba vrouwen zijn duidelijk te herkennen met hun huid en haar ingesmeerd met rode oker en een leren rok. De borsten van de vrouwen zijn bloot. De Herero vrouwen dragen traditionele kleurrijke Victoriaanse jurken met een opvallend theemutsachtig hoofddeksel. Herero en Himba zijn een nauw verwant volk. Er wordt gedacht dat de Herero mensen oorspronkelijk uit Oost Afrika zouden komen. In de 18e en 19e eeuw trokken zij vanuit Kaokoland (helemaal in het noordwesten van Namibië) naar Damaraland (onder Kaokolaland tegen de oceaan). De achterblijvers in Kaokolaland zijn de huidige Himba’s. In het begin van de 20e eeuw raakten de Herero in oorlog met de Duitsers, waarbij ze massaal werden afgeslacht, vergiftigd en de Kalahari woestijn in werden gedreven, waar een hongersdood bijna zeker was. De Victoriaanse kledingstijl hebben zij overgenomen van de Europese missionarissen. Er lopen veel mannen in driedelig pak rond en wij gaan er vanuit dat dit de Herero mannen zijn, omdat ze zo goed bij de vrouwen passen, maar dat weten we niet zeker. De Herero’s en de Himba’s samen nemen ongeveer 7% van de Namibische bevolking in beslag. De San people beslaan ongeveer 1% van de bevolking. De grootste groep zijn de Owambo’s (50%) met de Kavango’s op de 2e plaats (9%) en de Himba’s / Herero’s komen op de 3e plaats. Afrikaners en Duitsers (blanken) nemen samen 6% van de bevolking in beslag.

We besluiten op de camping in Opuwo te gaan slapen. Het is ondertussen al 15:00 uur geweest en we hebben wel genoeg gereden. De camping hoort bij een super-de-luxe lodge, waar we van de faciliteiten gebruik mogen maken. Wij vermaken ons wel.

 

Deel 2

Na het eten gaan we naar de lodge. We bestellen een drankje aan de bar en genieten van de luxe die bij een dure lodge horen. Op de bar staan 3 grote schalen vol hapjes waarvan we van de barman zoveel mogen pakken als we willen. De lodge gasten betalen zo’n 120 euro pppn, dus dan mag je wat verwachten, maar voor onze 8 euro pppn mogen wij ook de garnalen- en loempiahapjes eten. Dan geeft de barman de andere schaal aan en verteld Ro wat het is. Ik kon hem niet verstaan, maar Ro eet gezellig met de barman mee. Ze zeggen dat ik ook moet proeven. Het lijken kleine stukjes droog vlees, zoals droë worst of billtong en dat vind ik niks. Maar volgens Ro smaakt het daar helemaal niet naar. Ik pak een dingetje en net als ik wil gaan bestuderen wat het is zegt een man aan de andere kant van bar dat ik dapper moet zijn en het gewoon kan opeten. Ik had opeens het idee dat het niet iets was wat ik wilde eten, maar ik wilde me ook niet laten kennen. En terwijl de barman en Ro gezellig die dingen in hun mond aan het proppen zijn en iedereen naar mij kijkt, neem ik het aller mini-ste hapje ooit van het miniding, maar ik proef eigenlijk niks, dus neem ik heel dapper nog een mini-mini hapje. Het smaakt heel sterk, maar ik weet niet naar wat. Ik geef de rest aan Ro die het gewoon opeet en het allemaal heel grappig vindt. Ik zeg dat ik niet wil weten wat ik gegeten heb. Drie minuten later houdt ik het niet meer uit en vraag wat ik gegeten heb: “wurm” zegt Ro doodleuk. Ik had ondertussen al een loempia naar binnen gewerkt om de smaak van het dingetje kwijt te raken en dat was maar goed ook, want dat hield de wurm binnen. Na kort overleg was “wurm” niet de goede benaming, want het zou later een vlinder geworden zijn. Nou maakt het mij niet zoveel uit of ik wurm of larve of rups eet, ik vind het allemaal niet zo prettig. En uiteraard vonden ze het grappig dat ik dus zojuist het hoofd (met oogjes) of de kont had gegeten. Nadat Ro bijna alle garnalen had opgegeten gingen we weer terug naar de auto. Vanuit het stadje hoorde we de rest van de avond veel gezang en het klonk erg gezellig.

 

Donderdag 3 juni rijden we naar de Epupa Falls. Het is 180 km over een graffelweg, maar het gaat redelijk snel, binnen 4 uur. Onderweg zagen we een dood dier op de weg liggen en we stopten omdat we bijna zeker wisten dat het een aardwolf was. We hadden allebei nog nooit in ons leven een aardwolf gezien (dit is de kleinste hyena soort) en deze stond hoog op ons verlanglijstje. We dachten dat het dier dat we op de ochtend voordat we bij Etosha waren hadden gezien een aardwolf was, maar omdat we er nog nooit één gezien hadden, was het moeilijk om hem van een plaatje te herkennen. Maar nu lag er dus één op de weg en het was duidelijk hetzelfde dier als we bij Etosha gezien hadden. En met het boek erbij was dit dode dier 100% zeker een aardwolf. We durven met 99,9% zekerheid te zeggen dat we voor Etosha, een paar dagen geleden, een echte (levende) aardwolf gezien hadden. Er zijn 5 dieren die met stip bovenaan ons verlanglijstje staan om in het wild te zien. Dat zijn de chimpansee, cheetah, wilde hond, aardwolf en pangoline. Nog vier te gaan….

  

De weg naar de Epupa Falls is erg mooi. De graffel- en zandwegen in Namibië zijn erg leuk: ze hebben deze wegen namelijk niet horizontaal gemaakt, maar het glooit met het landschap mee. Het lijkt soms net of je in een achtbaan zit. De hellingen zijn vaak stijl en hoog, terwijl je pas ziet wat er aan de andere kant van de heuvel is als je al bovenop bent. Of als je naar beneden rijdt, dan kun je soms de bodem niet zien, omdat er een heel stijl laatste stukje is. Soms krijg je ook het gevoel in je buik alsof je in een achtbaan zit, zeker als Ro wat extra gas op zo’n moment geeft. Bij de meeste bochten op de wegen in Namibië staat een bord die je waarschuwt dat er een bocht aankomt. Waarschijnlijk omdat bochten niet zo veel voorkomen, zeker niet op snelwegen.

Opeens rijden we tegen een groene strook aan en zien we een grote rivier. Heel bizar na al die kilometers zand met kleine redelijk groenige boompjes. Hier staat het vol met palmbomen! We draaien de camping op, maar besluiten eerst een tijdje te relaxen voordat we de waterval gaan bekijken. Het is erg warm. We staan gekampeerd bovenaan de waterval, misschien 20 meter verwijderd van de plek waar het water 37 meter naar beneden stort. Ro ververst de olie van de auto en stelt de kleppen. Rond een uur of 5 gaan we de waterval bekijken en het is echt spectaculair mooi. We blijven een tijdje kijken en lopen weer terug. We koken, eten, lezen en gaan dan naar bed.

   

Klaas is de hele nacht onrustig en ze beweegt veel. Als Klaas gaat verliggen beneden dan wiebelt de auto en in de daktent wiebel je heel erg. Meestal doet ze dat hooguit een paar keer per nacht en daar slaap je doorheen. Maar deze keer was het erg veel. Midden in de nacht werd ze opeens zo onrustig dat ik toch maar even het luik opende om te kijken. Het was pikdonker en ik kon niks zien, maar het rook een beetje onaangenaam. Ik zocht de zaklamp en toen bleek dat ze diarree had. Ik duwde Ro naar beneden die voorzichtig tussen de diarree een weg probeerde te zoeken naar de uitgang. Klaas probeerde in dat zelfde gebied te verblijven, dus beide hadden niet zoveel succes. Klaas mocht naar buiten en gelukkig lagen er 2 handdoeken waar Klaas op sliep, dus dat was snel verwijderd. In een emmer water, Klaas terug in de auto en verder slapen.

 

Op vrijdag 4 juni werd ik vroeg wakker omdat Klaas weer bewoog. Ik maakte meteen het luik open, maar helaas waren we te laat. We hebben het arme Klaasje naar buiten gezet, maar de diarree was gelukkig op dat moment voorbij. Ze ging lekker onder de auto slapen, terwijl wij de auto en de handdoeken schoonmaakte. Daarna mocht Klaas zelf gewassen worden. Toen alles weer schoon, fris en fruitig was, konden we ontbijten. We besloten nog een dag te blijven en Ro ging verder met een paar klusjes aan de auto. We waren weer een bout die de startmotor vasthield kwijtgeraakt en Ro heeft met veel moeite geprobeerd er een nieuwe bout in te zetten, maar dat is helaas niet gelukt. We lezen, zoeken foto’s uit en doen rustig aan. Er was ondertussen ook een Spaans stel aangekomen per fiets. Ze waren vanuit Nepal via o.a. India, Pakistan, Iran en Dubai Afrika binnengefietst en waren nu 2 jaar en 7 maanden onderweg. Ik heb een hele tijd met Laura zitten praten en ik vind het erg knap wat ze doen. Hoewel ze inderdaad veel meer van het land zien en veel makkelijker contact kunnen maken met de lokale bevolking, zouden wij dit toch niet willen. Ze kunnen bv geen verse producten meenemen, omdat daar geen ruimte voor is en omdat ze geen koeling hebben. Ze eten vrijwel elke avond rijst met linzen of iets dergelijks. Altijd ongeveer hetzelfde. Wat wij in 2 dagen hebben gereden, hebben zij in 10 dagen gedaan. En in die 2 dagen zijn wij 2 supermarktjes tegengekomen, dus voor hun is het heel moeilijk voldoende eten mee te hebben. Wij vinden het in ieder geval heel erg knap. Ze hebben het voor elkaar gekregen om een visum voor Angola voor een maand te krijgen (normaal krijg je 5 dagen), maar ze moeten het in de hoofdstad proberen te verlengen, want het is zeker anderhalve maand fietsen. Ook hebben ze voor de DRC een visum voor 3 maanden gekregen, ingaande op de datum die ze zelf mochten uitzoeken, en dat is echt heel bijzonder. Als zij de waterval gaan bekijken, begint Ro rustig aan te koken en type ik dit verslag. Daarna maken we een kampvuurtje om de aardappels in te poffen en het vlees op te bbq-en. Na het eten pakken we de marshmallows erbij en warmen die op boven de vlammen. Lekker. Daarna is de dag helaas alweer om.

  

Op zaterdag 5 juni gaan we ‘s ochtends vroeg nog een laatste keer bij de waterval kijken. Daarna ruimen we rustig aan op, ontbijten en nemen uitgebreid afscheid van het Spaanse stel. We hebben besloten de 4x4 route van Epupa naar Swartbooisdrift langs de rivier de Kunene te rijden. Deze weg is, variërend welke bron je wilt geloven, tussen de 75 en 100 km lang. Volgens de Loney Planet doe je er 12 uur over, dus dat worden dan 2 of 3 dagen. We rijden om half 10 weg. De weg is inderdaad niet de beste ooit, maar hoort wel in de top 3 van mooiste wegen ooit. Je rijdt continu vlak langs of misschien 100 meter van de rivier af en zeker als je bovenop een heuvel rijdt dan zie je de groene strook van palmbomen door het landschap golven. Aan de andere kant van de rivier zie je Angola. Onderweg komen we af en toe Himba’s tegen. We stoppen bij iedereen en maken een praatje. Ze vragen allemaal om “sweets” of “sugar” en we geven ze, eigenlijk tegen onze principes, maar we snappen ook wel dat ze hier zelden naar de supermarkt kunnen, een zuurtje, waar ze blij mee zijn. En het leuke is dat ze er niet naar graaien of ruzie maken en het van elkaar afpakken. De eerste 5 kindjes staan onze auto van alle kanten te bewonderen. Dan geef ik ze een snoepje en ze houden hun handjes uit, pakken er één aan en trekken hun handje terug. Het kleinste ventje doet snel zijn hand met snoepje op zijn rug en met een grote glimlach steekt hij zijn andere handje uit. Ik moet erg lachen om dat koppie en hij begint meteen hard mee te lachen en trekt zijn handje terug. Daarna bedanken ze ons en rijden we verder. Op een gegeven moment staat er een oude man met een lange stok langs de “weg”. We stoppen en de stok blijkt een hengel te zijn. Hij vraagt of wij toevallig vishaakjes hebben. Toevallig zeulen wij al 7 maanden een doosje visspullen en een hengel mee, maar die zijn amper door de rechtmatige eigenaar (Ro) aangeraakt. Dus we stappen uit, laden de kist achterin helemaal uit, graven nog dieper in de kist daaronder en helemaal onderin zit het doosje. Ondertussen had de oude man mij voorgesteld aan wat ik denk dat zijn vrouw was, een oude vrouw die een beetje achter een struik bleef staan. Ro haalt alle soorten haakjes die hij heeft te voorschijn en nog wat extra dingetjes. Ook een hele set met allemaal van die gekleurde friemeltjes met haakjes eraan. Bij het eerste doosje keek de man al heel blij, bij het derde doosje glunderde hij van oor tot oor. Hij bleef Ro maar bedanken en liep uiteindelijk naar zijn vrouw terug om het te laten zien. Samen stonden ze het allemaal uitgebreid te bewonderen. Daarna deed ze het heel voorzichtig in een tas en liepen ze allebei met een eigen hengel naar de rivier. Erg leuk. Na drie uur rijden stopten we voor de lunch, we hadden bijna 25 km afgelegd. Na de lunch reden we verder, maar voor ons gevoel gingen we de verkeerde kant op. Na 10 minuten liep het spoor dood, recht voor een Himba dorp. Na een lange discussie waren ze er vrij zeker van dat we terug moesten. We besloten de GPS maar aan te zetten, zodat we een idee van richting hadden. We reden terug langs de lunchplek en vlak voordat we de diepe rivier weer terug in wilden rijden, zagen we een pad naar rechts gaan. We hadden die hele splitsing gemist en waren de verkeerde kant op ingeslagen. We reden de juiste kant op en een uur later kwam er weer een splitsing. De ene kant ging stijl omhoog, de andere stijl naar beneden. Ik besloot de weg richting rivier lopend af te leggen om te zien of die dood liep. Maar na een paar 100 meter leek de weg nog wel even door te gaan en liep ik terug. We besloten het maar te proberen, ook omdat er beneden genoeg ruimte was om te draaien, mocht het toch niet goed zijn. De wegen waren bijna de hele rit bezaaid met scherpe, puntige keien en de wegen waren soms behoorlijk schuin. Zeker de rivierbeddingen in en uit (er stond niet veel water) waren vaak erg stijl. Soms hobbelde we zo van links naar rechts of stonden we zo schuin, dat ik bang was dat we om zouden vallen. Maar dat gebeurde uiteraard niet. Ook gingen we er vanuit dat we minstens één, maar hopelijk niet meer dan drie, lekke banden zouden krijgen. Maar op deze eerste dag hebben we niet vastgezeten en hebben we geen lekke band gehad. Onze Impi doet het fantastisch! Tegen 15:300 uur zien we een pijl naar een camping. We besloten een kijkje te gaan nemen en zoals we verwachtten was het een door de lokale bevolking opgezette “camping”. Direct aan het water, met fantastisch uitzicht, hadden ze om een stukje grond een hek van takken gezet. Er was een klein hutje met een gat in de grond dat als wc diende en op een grote boom stond geschreven dat het 45 N$ (€ 4,50) pppn kost, inclusief brandhout, en wordt je gelijktijdig welkom geheten. Er is niemand aanwezig. In de boom zit een bakje en daar ligt N$ 80 in. Hoe lang dat er al ligt? Geen idee. Ro kijkt de auto na en constateert dat één veer half uit de houder is gewipt. Hij krijgt hem weer terug in de houder en verder lijkt de auto prima in orde. Ro maakt gebakken kipfilet met gebakken aardappeltjes en een salade en na het eten lezen we nog even buiten en daarna lezen we in de daktent verder. Die nacht kan ik niet zo goed slapen, omdat ik allemaal rare geluiden hoor en voel ik me niet helemaal gemakkelijk.

  

Op zondagmorgen 6 juni willen we vroeg vertrekken, zodat we wat meer in de wat koelere periode en minder in de hete periode rijden. Een paar minuten voor 8 uur rijden we weg. We besluiten het kampeergeld in de boom achter te laten, maar als we een paar minuten later langs het Himba dorp oprijden komen er 2 mannen naar ons toe. Ze spreken geen Engels en we begrijpen ze eerst niet. Dan bedenken we dat ze wellicht het kampeergeld willen. We leggen uit dat het in de boom ligt, maar dat begrijpen zij weer niet. Dan pak ik pen en papier en teken de boom met de tekst die erop staat “Camp 45 N$ p. person“. Ze knikken. Daarna teken ik de inham en zet er een pijl neer met daarbij de 170 N$ die daar nu liggen. Ze kijken een beetje bedenkelijk, maar ook heel blij. Ze snappen het nog niet echt, maar ze geloven ons wel en we blijven naar de camping wijzen. Ze gaan erheen en hopelijk vinden ze het geld. Misschien ligt dat andere geld er echt al maanden. Het was dus blijkbaar niet de bedoeling om het daar achter te laten. Om 10 uur begon het toch al aardig heet te worden. De weg was behoorlijk pittig. We moesten 4 of 5 keer een hele lange steile weg omhoog en daarna weer omlaag. De helling lag compleet vol met kleine en grote keien en soms helden we net zo ver naar links of rechts als naar voren of achteren. Op sommige momenten deed ik mijn ogen maar even dicht (want dat helpt, haha), maar op een paar zeer kritieke punten na genoten we er ontzettend van. Na elke helling even controleren of de assen niet gebroken waren en of de banden nog goed waren, maar elke keer was het prima in orde. We passeerden nog een aantal leuke dorpjes met vriendelijke mensen. En tegen alle verwachtingen in deden we slechts 4 uur over deze 40 km. Over de eerste 48 km deden we namelijk 6 uur. Maar ondanks dat de tweede dag veel lastigere punten had, waren er ook grote stukken bij dat je zo’n 20 km/uur kon rijden. Iets voor 12 uur waren we in Swartbooi’s drift. We reden door en na een paar km kwamen we langs een lodge. Erg aardige eigenaar, maar de prijs was een beetje hoog (100N$, 10 euro pppn), dus we reden door. Maar niet nadat hij van ons wilde weten hoe lang we erover gereden hadden, 10 uur, en hij dat een goede prestatie vond. Nou, wij waren ook niet ontevreden. Vanaf hier was de weg wel iets beter, maar juist omdat je zo’n 30 km/uur kan rijden en de weg toch vol gaten zit, hots en klots je juist veel meer. Na twee uur verder klotsen kwamen we bij de energiecentrale aan, waar de weg veranderde in asfalt. Het laatste stukje naar Ruacana was zo gepiept en rond half 3 kwamen we bij een mini supermarktje aan. Daarna reden we door naar de lodge waar we voor 65 N$ (€ 6,50) pppn mochten staan. We reden het terrein op en zagen een bekende Franse auto. Michel en Bernadette hebben we bij Big Milly’s Backyard in Ghana ontmoet en waren net 2 dagen geleden vanuit Angola Namibië ingereden. Ze stonden nog even bij te komen. Maar aangezien zij heel slecht Engels spreken en al helemaal niet verstaan en wij heel slecht Frans spreken en al helemaal niet verstaan, ging het wat langzaam. Maar wel leuk. Op deze camping zaten veel vliegen wat best irritant is. Dus besloot ik om onze klamboe maar eens tevoorschijn te toveren. Dit ding slepen we al sinds 2004 elke vakantie mee, maar is nog nooit de verpakking uitgeweest. Ik hing de klamboe aan een tak en zette de stoelen eronder. Ro verklaarde me volledig voor gek, maar nadat hij 3x had gezegd dat hij volledig voor schut zat kon hij wel lekker ongestoord lezen en eten. Na het eten hebben we de rest van de avond een paar drankjes met het Franse stel gedronken.

  

Maandagochtend 7 juni namen we uitgebreid afscheid van Bernadette en Michel. Ze bleven nog een paar maanden in Namibië, maar we zouden tegen die tijd kijken waar wij waren zodat we nog eens af kunnen spreken. Rond 10 uur reden we weg uit Ruacana, nadat we nog een paar boodschapjes hadden gedaan in de supermarkt annex tankstation. We wisten nog steeds niet of we langs Angola op zouden blijven rijden naar de Caprivi Strip of dat we via Grootfontein, dus eerst naar het zuiden en daarna terug naar het noorden, zouden gaan. Maar we hadden eigenlijk wel zin om nog een dagje Etosha National Park te doen, dus we reden richting Grootfontein. We hadden verwacht dat de route heel erg mooi zou zijn, maar dat viel een beetje tegen. Het was het enige saaie stuk dat we in Namibië gereden hadden. We besloten in één ruk door te rijden tot de poort van Etosha en daar op zoek te gaan naar een camping waar Klaas de hele (volgende) dag kan blijven. Onderweg kwamen we zoals verwacht weer over het “cattle fence”, waar je geen vlees over mag meenemen. We hadden het permit voor Klaas klaarliggen en de verboden producten verstopt. Ze vroegen ons of we een koelkast hadden, “ja, die hebben we” en of ze die mocht zien. We zeiden dat dat geen probleem was, maar dat er een hond achterin lag. Ro duwde gelijk het permit naar buiten, maar daar keek ze niet naar. Een hond? Nou dat leek haar maar niks. Dan mochten we wel vertellen wat we in de koelkast hadden: “Nou, groente, fruit, drinken, bier”, ze keek bedenkelijk. “Geen vlees” zei Ro toen en ze keek opgelucht en we mochten door. Geen woord over Klaasje! Na een lange rit kwamen we rond 16:00 uur aan bij de afslag naar Etosha. We reden erin, maar kwamen in eerste instantie niks tegen. Vlak voor het park zaten de dure lodges die in ons boek stonden, maar die hadden volgens het boek geen camping. Bovendien waren die in een wildpark, dus Klaas was vast niet toegestaan. We waren moe en hadden geen zin om de waarschijnlijk ellenlange opritten op te rijden, dus we zijn omgedraaid. Vlak voor de afslag hadden we ook een camping gezien. Daar aangekomen bleek die belachelijk duur te zijn: 80 N$ pppn + 40 N$ voor de auto + 20 N$ voor de plek (€ 22 totaal). We hadden ook nog nooit eerder een camping gehad die voor al deze dingen iets berekende. Hij was uiterst verbaast toen ik aangaf dat dit de duurste camping was die we in HEEL Afrika ooit hadden bezocht. Hij geloofde me niet zo en gaf aan dat hij bij ver de goedkoopste in de omgeving was. We waren uitgeput en we hadden in geen velden of wegen een andere camping gezien, dus we besloten maar te blijven. Klaas hadden ze met veel tegenzin toegestaan, maar we moesten heel erg oppassen want één van hun 4 honden was vals tegen andere honden. Klaas mocht onder geen beding nadat het donker was uit de auto. Nou is dat geen probleem, want Klaas is nog nooit vrijwillig in het donker buiten geweest. Er werd ons een plekje aangewezen en het was er ook best leuk, maar geen € 22 waard. We hebben vele mooiere camping voor nog geen derde van dat bedrag gezien. Maar goed, we hadden “ja” gezegd, dus nu niet meer zeuren. Nadeel van deze plek was dat we dus niet naar Etosha konden, want Klaas kon hier overdag niet alleen buiten blijven en bovendien wilden we eigenlijk ook niet nog eens € 22 betalen. Na het eten hebben we nog even gecomputerd en gelezen en zijn daarna naar bed gegaan.

 

Op dinsdag 8 juni zijn we rond 10 uur weggereden. Ook na de afslag naar Etosha kwamen we voor lange tijd geen campings tegen. Ro had bedacht dat we wel in één keer naar Rundu konden rijden (ongeveer 500km), maar daar had ik geen zin in. Bovendien wilde ik bij Roy’s Rest Camp boven Grootfontein overnachten, nu we toch zo reden. Dus we hoefden maar 300km. Vlak bij Grootfontein ligt de grootste meteoriet die ooit op de aarde is neergekomen. Ro wilde die eerst graag zien, maar nadat we er foto’s van hadden gezien was zijn enthousiasme beduidend minder. Maar hoe dichter we in de buurt kwamen, hoe meer ik dat ding wilde bezoeken. Dus draaide Ro vlak voor Grootfontein een zijweg in en reden we 25km extra naar het zuiden. Daar aangekomen bleek het geen probleem om Klaas mee te nemen, dus konden we er een gezellige wandeling van maken. De meteoriet, genaamd “Hoba” was ontdekt door de jager/boer Jacobus Hermanus Brits op zijn eigen landgoed “Hoba West”. Tijdens een jacht zag hij een rare zwarte rots een klein stukje boven de grond uitkomen. Nadat hij met een mes over de oppervlakte van de “rots” had geschaafd, bleek het erg te glinsteren. Hij groef een stukje uit en hakte een stukje van de meteoorsteen af en ging daarmee naar Grootfontein. Deskundigen kwamen naar zijn boerderij en concludeerden dat het een meteoriet was. Zijn gewicht wordt geschat op ongeveer 60 ton. In 1955 is deze voor 82,3% uit ijzer en 16,4% nikkel bestaande meteoriet als nationaal monument verklaard, wat maar goed was, omdat de Zuid Afrikaanse metaalindustrie een kwart miljoen pond had geboden voor de steen. Tegenwoordig kun je voor € 1,50 pp Namibia’s “Fallen Star” bezoeken. Op zich lijkt het net een gewone steen, maar het is wel bijzonder als je bedenkt dat dit de grootste en zwaarste (gevonden) meteoriet op aarde is. Maar na een kwartiertje heb je het ding ook wel gezien en zijn we naar Grootfontein gereden. Van daaruit zijn we vrijwel meteen doorgereden naar Roy’s restcamp. Het was inderdaad erg mooi aangelegd, vooral de badkuip bij het zwembad. We hebben een tijdje met zijn drietjes bij het zwembad in de schaduw zitten lezen, terwijl een paar toeristen het aandurfde het zwembad ook daadwerkelijk in te gaan. Ons niet gezien! Veel te koud! Het was misschien tegen de 30 graden, maar omdat de nachten fris zijn en de zon maar 11 - 12 uur per dag aanwezig is, waarvan ie maar max 8 uur per dag heet is, warmen de zwembaden niet zo hard op. Tegen etenstijd kwam de laatste kampeerder het terrein oprijden en dit stel was behoorlijk luidruchtig. Iedereen kon hun conversatie zo ongeveer volgen.

  

De volgende morgen woensdag 9 juni, tegen de tijd dat wij opstonden, waren alle kampeerders behalve het luidruchtige stel, al vertrokken of bijna weg. De jongen kwam naar Ro en toen bleek het geen stel te zijn. Hij was een Nederlandse backpacker en had haar advertentie gezien dat ze naar Vic Falls ging rijden en of er iemand mee wilde rijden tegen de helft van het benzinegeld. Hij had impulsief gereageerd en bij vertrek, de vorige dag, hadden ze elkaar ontmoet. Zij was heel druk en stopte nooit met praten. Toen we bijna klaar waren met inpakken kwam ze naar mij toe. Anderhalf uur later kende ik haar hele geschiedenis en had ze me al haar werk laten zien: ze verkocht zelfbeschilderde kleren, kussenslopen, wandkleden enz en ze maakte foto’s die ze ook verkocht. Best leuk, wel duur. Zij waren ook onderweg naar Rundu en zouden de volgende dag pas verder rijden. Zij wilde graag dat wij ook een dagje zouden wachten, maar wij wilden 2 dagen aan de rivier in Rundu blijven staan, dus we zouden ze daar nog wel kunnen zien. Ze vroeg waar wij verbleven en ik vertelde dat we daar op een leuke camping in 2004 hadden gestaan, maar we wisten de naam niet meer. Zij vertelde dat ze naar nKwanzi ging en ik wist meteen zeker dat dit “onze” camping was, ik herkende de naam. Dus dat kwam goed uit. Pas tegen half 12 zijn we weggereden. We wisten dat we vrij snel over het “cattle fence” zouden gaan waar je geen vleesproducten over mag meenemen. We verstopten voor de zekerheid ook maar de melk, eieren en kaas, maar hij vroeg niet eens of we vlees bij hadden. Ons kenteken werd genoteerd, Ro’s rijbewijs nummer en waar we vandaan kwamen en waar we naartoe gingen. Daarna kwamen we in “Zwart Afrika”, het echte Afrika. En wat is het hier veranderd sinds 2004!! In 2004 was dit de plek waar wij voor het eerst “Zwart Afrika” zijn ingegaan en het was destijds een cultuurshock voor ons. Het is dan net of je het Afrika Museum inrijdt. Ik kan mij herinneren dat we toen af en toe een rieten hutje zagen, met een vrouw ervoor die met de kinderen bezig was, eten aan het klaarmaken was of in de tuin aan het werken was. Nu is het merendeel van de weg bewoond. Overal staan hutjes en het is een drukte van belang. Sommige dorpjes zijn meer steden geworden, zoveel hutten staan er. En er staan veel souvenirs uitgestald langs de weg. Hele mooie souvenirs trouwens. Rundu herkenden wij totaal niet. Er waren allerlei nieuwe gebouwen en er was een supermarkt… gigantisch. Wij dachten niks meer te kunnen krijgen hier, maar echt alles was te koop. De supermarkt was bijna net zo groot als in Zuid Afrika, met bijna hetzelfde assortiment. Dat hadden we niet verwacht. Na meer inkopen gedaan te hebben dan we hadden gepland zijn we doorgereden naar de camping. Toen we een stukje buiten de stad het zandpad insloegen herkende Ro het gelijk. En 9 km later kwamen we aan bij de camping aan de rivier met uitzicht op Angola. We plantten onszelf met boek op een bank en Klaas gaat naast ons slapen. Na een wandeling aan het eind van de middag is Ro gaan koken terwijl ik een uitgebreide hete douche nam. Na het eten typte ik het verslag terwijl Ro vroeg naar bed ging. Daar lezen we nog een tijdje tot we in slaap vallen.

 

Donderdag 10 juni hebben we helemaal niks gedaan. We zijn bij nKwanzi gebleven en hebben vooral veel gelezen en gefotografeerd. Ro heeft de filter van de auto nog schoongemaakt en heeft lopen prutsen aan ons kooktoestel, waardoor die nu kapot is. Maar gelukkig hebben we nog een klein gaspitje. Aan het eind van de middag kwam het “stel” van de vorige dag ook aanrijden.

 

Vrijdag 11 juni: KLAAS IS JARIG!!! Eigenlijk is ze op 1 juni jarig, maar om de één of andere reden denk ik al 5 jaar dat ze op 11 juni jarig is, dus dat laten we maar zo. Voor de gelegenheid hebben we lekkere zakjes met vlees voor haar gekocht waarvan ze de helft als ontbijt krijgt. Na het ontbijt pakken we rustig aan in en vertrekken we naar Botswana. Het andere “stel” moet nog even terug naar Rundu, maar zou daarna achter ons aankomen. We zouden elkaar waarschijnlijk bij Drotsky‘s, vlak over de grens weer ontmoeten. We moesten ongeveer 220 km rijden naar de grens. Vlak voor we van de snelweg af moesten slaan was er een groot tankstation aanwezig. We weten dat Botswana vaak geen diesel of benzine heeft, maar we hadden in Rundu genoeg in de auto gegooid dat we hoogstwaarschijnlijk (samen met de jerrycans) Maun wel moesten halen. En bovendien hadden we geen Namibische Dollars meer, dus we gokten het er maar. Het laatste stuk was door een Nationaal Park, maar op een struisvogel en een gemsbok na, zagen we niks. Wel veel olifantenpoep, gelukkig geen olifanten. Een Zuid Afrikaanse tegenligger stopten ons nog om aan te geven dat er echt geen diesel te krijgen was tot Ghanzi (Maun wist hij niet, dat was na de T splitsing de andere kant op) en of we genoeg hadden. Nou, we hoopten van wel. In Botswana is de diesel namelijk goedkoper. Namibië uitrijden was in 2 minuten gepiept: formuliertje invullen, stempel in paspoort, raodtaxbewijs afgeven en kenteken in boek noteren. Daarna waren we Namibië helaas alweer uit.

 

We zijn 26 dagen in Namibië geweest en we hebben van iedere minuut genoten. We hebben in die 26 dagen alleen de bovenste helft bekeken. Het onderste deel is minstens zo mooi, maar de hoogtepunten daarvan (o.a. Sossusvlei, Deathvlei, Fish River Canyon, hot springs van Ai-Ais en Solitaire) hebben we op eerdere reizen al gezien. We hadden maar een visum voor een maand en ondanks dat we dat gerust konden verlengen, vonden we het zo ook wel goed. We wilden ons vooral op het noorden richten. We hebben op 18 verschillende plekken gekampeerd van de 25 nachten. In Swakopmund zijn we 4 nachten gebleven, bij Etosha zijn we 3 nachten gebleven en in Rundu en bij de Epupa Falls 2 nachten. Om zoveel van het land in 26 dagen te kunnen zien hebben we dus aardig door moeten rijden. In totaal hebben we 4.021 km door Namibië gereden. Sinds Nederland hebben we 19.765 km met Impi gereden. Inclusief huurauto’s hebben we bijna 25.000 km gereden in bijna 8 maanden.

 

Namibië is een geweldig mooi land en een echte aanrader als vakantieland. Als je het je kan veroorloven om hier een 4x4 te huren (tegen de € 100 per dag) dan zou ik iedereen aanraden hier (minimaal) een maand rond te rijden. Uiteraard kun je ook een goedkopere gewone auto huren, maar dan kun je de pistes niet rijden (wat juist zo de moeite waard is). Het is een heel veilig land en een erg mooi land met aardige mensen. Er is veel woestijn, maar dat maakt het erg mooi. Wij zouden hier niet willen/kunnen wonen, omdat het te droog en zanderig is, maar voor een vakantie is het ideaal. Het is altijd warm (behalve aan de kust als de wind uit de oceaan waait), maar de nachten zijn (in deze tijd van het jaar) vaak koel of zelfs koud. Tot ongeveer halverwege Etosha is Namibië een Westers land. Boven het Cattle Fence kom je in het “echte” Afrika, maar ook daar kun je eigenlijk alles krijgen wat je nodig zou kunnen hebben.

 

De route die we gereden hebben:

De gele puntjes zijn de plekken waar we hebben geslapen. Ik zal onder alle vorige verslagen binnenkort ook nog zo'n kaart plaatsen.

 

 

 

Foto's                

 

Europa (Nederland, Belgie, Luxemburg, Frankrijk en Spanje)

 

Marokko

Mauritanie

Mali

Burkina Faso

Ghana

 

Zuid-Afrika

Botswana 1

Namibië

Botswana 2

Zambia

Malawi

Tanzania 1

Kenia 1

Oeganda

Kenia 2

Tanzania 2

Kenia 3

Tanzania 3

Kenia 4

Ethiopie

Sudan

 

Saudi Arabie

Jordanie

Jordanie HCAW

Syrie

Turkije

 

Bulgarije

Roemenie

Hongarije

Oostenrijk

Duitsland

Nederland

YourCompany.Com © 2003 • Privacy Policy • Terms Of Use